Column 3 januari 2011
13.50 uur – Pietsje blauw – 4 graden – Buiten!
Zie zo, het oude jaar zit in het archief. Van start dus. Met schone lei, nieuwe plannen, verse ideeën en een nieuw thema voor deze opwarmertjes voor het échte schrijven.
Met Buiten! stappen we de komende maanden binnen. Of misschien wel het hele jaar. Want als ik ergens van hou dan is het van buiten zijn. De kans bestaat wel dat het dan niet meer van schrijven aan een roman komt. Dat ik verleid door mijn eigen Buiten! de wandelschoenen aantrek, de noorderzon tegemoet…
Ze zijn net zo nieuw als dit nieuwe jaar, mijn wandelschoenen. Amper zes kilometer hebben ze afgelegd, maar we zijn al vrienden. Het klikte meteen. Niets geen wennen aan elkaar en eerst maar eens latten. Nee, we beloofden elkaar al eeuwig trouw toen we nog maar ter hoogte van de boomgaard halverwege de dijkweg waren. Want wat liepen we lekker samen. Soepel verend en toch stevig en degelijk. Dé ingrediënten voor een gelukkig huwelijk!
Voor we het wisten knarsten we al over de losse steenslag van het doodlopende pad. Links lag de zwarte akker van voorheen de suikerbieten. Rechts, achter de sloot, zette de groene dijk van het kanaal koers naar de horizon. Schapen erop en onzichtbare auto’s erachter mixten blaten en motorgeruis. Een blauwe reiger schoot krassend op uit de slootkant. Waardoor wilde eenden wegstoven en een stuk verderop ook smienten, en vervolgens ganzen.
De ganzen keken we na op de plek waar we linksaf een pad in moesten. Vooralsnog bestond dat pad uit diepe tractorsporen vol modderig dooiwater. Her en der staken er graspollen als terpen bovenuit. Mijn schoenen en ik kozen knieheffend de hoogste ervan, tot aan het eerste veehek. Daarna was het pad weer een pad, even grazig groen als de weilanden.
Zo halfweg zo’n pad moet een mens gewoon even stilstaan. Om de melodieuze roep van een wulp te horen. Het verre gakken van ganzen. De ritselende wind door het verstarde riet en het zachte piepen van een troepje voortjakkerende kleine zangvogeltjes.
Geen mens hier. Geen autogeluiden meer. Alleen de wind die zich laat horen terwijl hij je ogen doet tranen en ruimte in je hoofd en je lichaam waait. En aan de horizon mijn dorp als trouwe wachter in de bleke winterzon.
Over twee hekken moesten we nog, mijn schoenen en ik. Ze stonden stroef stavast op de stalen pijpen. Ze veerden zachtjes bij de afsprong. Ze stapten stevig verder over het weer door schapen kort gegraasde gras. In tempo, de zon en het dorp tegemoet. Ik moest er zachtjes om lachen. En bedacht me hoe wonderbaarlijk blij, ruim en energiek ik me altijd voel na zo’n rondje om.
Het laatste hek over, het betonpad in langs een dorpsboerderij en opeens weer terug in de bewoonde wereld. Met zin in koffie, een borstel door mijn haar, een stuk muziek en een mooi boek. Zin eigenlijk in alles, dus zeker ook in het schoonspoelen van mijn nieuwe schoenen. Zodat ze fris en vol goede zin klaarstaan voor de volgende keer Buiten!