Column 1 februari 2012
Lach eens om jezelf 8
Als straks dit stukje klaar is, heb ik online acht keer om mezelf gelachen. Hoog tijd om om ú te gaan lachen. Immers: wie lacht niet die de mens beziet. Waarmee meteen de vinger op de zere plek ligt: je moet naar jezelf kijken om om jezelf te kunnen lachen. En niet naar je mooie krullen maar naar je zwakheden, die je moet uitvergroten anders lukt dat lachen niet.
Die lach is dan wel enorm bevrijdend. Alle spanning valt van je af. Wat een opluchting. En, verdraaid, je hebt weer zin en goede moed om verder te gaan. Je relativeert weer, neemt de dingen gemakkelijker op en ziet wel wat de dag verder zal brengen. Wat een verschil met voor je in de lach schoot. Toen was het leven echt geen pretje.
Dat is tenminste zoals ik het zelf vaak ervaar. Neem gisteren. Mijn drie weken werken op Texel zaten erop. Wat ik er had willen schrijven, was geschreven. De boel kon terug naar huis. In de vrieskou sjouwde ik heen en weer tussen het warme huisje en mijn ijskoude auto. Deur steeds goed achter me dicht, ook portier steeds weer sluiten. Zorgvuldig beide sleutels in de broekzak, samen met mobieltje en zakdoek om de druppel aan de neus te deppen.
Alles ging oplettend, zorgvuldig, met moed, beleid en trouw. Onder de achterklep de laptop, een kratje met levensmiddelen, een tas met kleding en schoenen, en een met niet gebruikte sportoutfits. Op de achterbank nog een tas met kleding, een jack en een jas. Plek genoeg nog voor de twee tassen wasgoed. Daarvoor moet ik even om de auto naar het andere portier lopen. Precies dan rijdt de eigenaar van het vakantiehuisje zijn erf op. Wat komt dat fantastisch uit, want hem wil ik gedag zeggen. Super!
Ik draaf erheen. We praten even, ik geef de huissleutel en we nemen afscheid. Even later gluur ik ten afscheid nog even het huisje in. Dag leuke lichte inrichting. Dag gezellige eettafel waaraan ik zoveel uren zat te schrijven. Dag cd-speler die zin gaf in eenzame uurtjes. Dag narcissen ook, die natuurlijk mochten blijven. En dag koolmezen, pimpelmezen, vinken en roodborstjes in de tuin. Ik ga, hoor.
Het erf af, het dijkje langs. Nog één keertje vogels kijken in Waalenburg. Nog één keertje naar het westen, door De Dennen, langs de duinen naar De Geul. En dan toch echt naar de veerboot, en naar huis waar mijn man net naar buiten komt om de krant uit de bus te halen. Met twee handen is het licht werk, dus al gauw zitten we aan de koffie wederwaardigheden uit te wisselen. En dan opeens: ‘heb jij soms die twee blauwe plastic tassen … o nee hè…. o nee…. het vuile wasgoed staat nog buiten bij het huisje…’
Vannacht schoot ik er wakker van. Mijn uitgaanstenue zat erin, vanwege een satésausvlek. Mijn badjas door de eroverheen gestoten theekop. De laatste handdoeken, keukendoeken. En ondergoed. Wat vervelend, wat naar. Ik schaam me bij voorbaat tegenover de al dan niet eerlijke vinder. Wát oplettend, zorgvuldig, met moed, beleid en trouw?!
Pas vanmorgen realiseerde ik me dat ik terug moet naar Texel. Dat dat voor mij bepaald geen straf is. 'Nog één keertje...?' Ik grinnik. Wat geeft het ook, relativeer ik. Er zijn ergere dingen. En ik begin me toch te lachen!