Column 18 april 2011
10.50 uur – Zon – 16 graden – Buiten!
Wat een zegen dat ons lange weekend op Vlieland nog net vooraf kon gaan aan de verhuizing van mijn moeder van zorgcentrum naar verpleeghuis. Beelden van blonde duinen en over het strand spoelende golfjes steunden me bij het inpakken van linnengoed en keukengerei, van theekopjes en koffiezetter, van badkamerspullen en rokjes, truitjes, bloesjes, en ga nog maar tienduizend dingen door.
Door het openraam in het warm gestookte zorgcentrumappartementje koelde de zeewind mijn gedachten. Meeuwenkreten verwoordden mijn gevoel. Het zilt op mijn lippen kwam uit de zee. En niet uit de tranen over mijn wangen omdat op het transistorradiootje het Slavenkoor zo mooi zong terwijl ik toen net de afvalzakken telde.
Toen ik haar ophaalde voor de verhuizing zat mijn moeder in de kapsalon van het zorgcentrum. Net ging het stuifje haarlak over haar grijze watergolf. Achter haar rollator ging ze met me mee naar de auto. Voor een ritje, leek het. Natuurlijk keek ze niet om. Maar ik zag wel haar verzorgsters achterblijven. Ik zwaaide maar niet.
We reden weg. Ze babbelde. Ik babbelde terug en dwong de vuile verrader in me die haar naar de slachtbank leidde weg uit mijn gevoel.
Samen wandelden we haar nieuwe woonomgeving binnen. Ze keek naar niets dan haar rollator. ‘Leuk, een winkeltje,’ wees ik. ‘En kijk, daar zitten een heleboel mensen aan de koffie. Dat is vast het grand café waarover ik las.’ ‘Kijk, we gaan door deze deur. Ik doe ‘m wel even open. Ga je mee?’
De deur sloot met een klik de gewone mensenwereld achter ons. Goddank merkte mijn moeder daar niets van. Ze duwde haar rollator voort en zag geen A4tjes met de waarschuwing voor bezoekers bij het weggaan nooit iemand mee naar buiten te laten lopen. Wel zag ze een hartelijk lachende jonge vrouw, die verwelkomend haar handen naar haar uitstak. Mijn moeder lachte terug. Ik zag het door een onmetelijk hoge hemel boven een kalm deinende zee.
Ze woont er nu. De huiskamer van haar groep grenst aan de tuin. ‘Kijk eens,’ zegt iedereen, ‘wat heerlijk, in de tuin is het al echt voorjaar!’ En we kijken naar het prille groen. De druk vliegende spreeuwen, merels, mezen en mussen. De bloesem van het krentenboompje. Ik aai nog eens haar hand en kondig met zoveel mogelijk lach mijn vertrek aan. ‘Uw gezin zal wel op u wachten, hè?’ zegt ze begrijpend. Ik knik instemmend. In mijn hart krijst een meeuw. Hij wil weg, weg, weg. Naar buiten!