'en morgen beginnen'
Begin alvast met lezen!
‘En morgen beginnen, anders komt het er nooit van. Het is dan weekend en ik heb er alle tijd voor.’ Met de echo van haar eigen woorden nog in haar hoofd werd Tienke Prunel op een zaterdagochtend in februari wakker. Ze had ze de vorige avond inderdaad nogal krachtdadig uitgesproken, in het donker van haar autootje op de terugweg naar huis. Haar vastbeslotenheid klonk erin door, zonder een spoortje twijfel.
Wonderlijk dat ze opeens zo absoluut zeker van zichzelf was, en simpelweg door wat ze in het sportcafé van de tennishal twee vrouwen aan het tafeltje naast dat van haar tegen elkaar had horen zeggen.
Hoe bestond het, want het was eigenlijk een gesprekje van niks. Lekenpraat op zijn best, of nog eerder roddelen. Maar het trof Tienke recht in haar hart. Misschien omdat het toen net het juiste moment was voor dergelijke woorden?
‘Dat ze alles zo uitgebreid en goed probeert te doen, is denk ik allemaal onzekerheid,’ had de ene vrouw gezegd. ‘Ze probeert fouten uit te sluiten. Misschien is het wel faalangst, ik weet het niet.’
De andere vrouw opperde dat het ook best een gebrek aan durf kon zijn, en daardoor een te grote voorzichtigheid. ‘Ze is natuurlijk altijd erg beschermd geweest door haar man en ze liet zich alles aanleunen. Erg assertief vond ik haar niet. Een beetje type angsthaas. Wat vind jij?’
De andere vrouw had bevestigend geknikt. ‘Maar dan is het juist moedig dat ze het probeert,’ redeneerde ze. ‘Je kunt wel kritiek hebben op dat perfectionistische van haar, maar ze doet het wel! En het zal heus niet van een leien dakje gegaan zijn. Daarom: petje af, hoor.’
Knal! In de roos!
In één klap snapte Tienke waarom ze deed zoals ze deed en altijd gedaan had. Er was geen twijfel mogelijk: ze deed alles zo goed omdat ze van binnen onzeker was.
Ze was bang om fouten te maken en uitgelachen te worden.
Ze had Erik de koers van hun levens laten bepalen.
Ze liet zich de dingen aanleunen, en assertief was ze pas geworden in haar baan – dankzij Het Wijze Boek…
Logisch met zo’n autoritaire vader en drie even autoritaire oudere broers, was er nog door haar heen geflitst. Logisch ook door die opvliegers en dat trillerige van de overgang, en …
Maar toen liepen Lucy en Melanie al in hun tenniskleren op haar af; ze was met een lachend gezicht opgestaan en had automatisch haar racket van de vloer opgepakt. Zodoende kon ze er pas weer over doordenken in de auto, op de terugweg naar huis.
Wel waren er op het ritme van de ballen die ze oversloeg allerlei losse en onafgemaakte zinnetjes door haar heen gegaan. Vaak gespannen. Hyperventilatie, maar nooit in een vliegtuig. Controle. Nam verantwoordelijkheid ernstig. Liet Erik de kastanjes uit het vuur halen. Pedro, zó chaotisch, dan moet je toch wel de teugels aanhalen? De kinderen in Nederland, dat heen-en-weergevlieg. Misschien gewoon een nerveus type. Hormonen. Ook nog te dik. Gelukkig was er Het Wijze Boek.
Maar een angsthaas...?
Met één harde mep had ze het winnende punt gemaakt, toevallig toen zij aan de beurt was om alleen tegenover haar tennismaatjes te staan.
Die hadden de bal met open mond van verbazing nagekeken, want Tienke tenniste altijd op z’n Jan boerenfluitjes. Fanatisme was haar vreemd, in tegenstelling tot Lucy – die wilde bij het tennissen juist haar agressie kwijt, naar eigen zeggen omdat ze zich zo moest beheersen bij het vervaardigen van haar inderdaad ongelooflijk priegelige etsen. Dat hoefde Melanie wel niet bij haar keramiek, maar toch kon die op zijn tijd ook stevig te keer gaan op de baan.
Geen angsthaas, had ze met een uitroepteken erachter gedacht terwijl ze naar het net was gelopen. Maar ik moet er eerst over nadenken en daarom zeg ik er straks bij ons wijntje niets over. Misschien de volgende keer. Mijn eigen bed-and-breakfast… al zo lang over gedroomd!
Wat hield me toch steeds tegen?, vroeg ze zich af op de terugrit. Onzekerheid, antwoordde ze in gedachten. Angst om uitgelachen te worden. Uit voorzichtigheid passief blijven.
Maar geen angsthaas. En wel met lef!
En toen kwamen die woorden luid en duidelijk uit haar mond: ‘En morgen beginnen, anders komt het er nooit van. Het is dan weekend en ik heb er alle tijd voor.’
Wat maakten ze haar ruim van binnen! Ze moest erom schateren.